Encyclopedisch woordenboek over het studentenleven
in opbouw
ab-actis: Secretaris van een studentenvereniging. Hij/zij staat in voor het opmaken
van verslagen en de briefwisseling. In kleinere verenigingen wordt deze functie meestal
gecombineerd met die van scriptor en vaak ook scriptor genoemd. Het meervoud
is ab-actissen.
cantor cantorum: Procantor van een seniorenconvent, voornamelijk gebruikt bij SK Ghendt, SK Ancienitas en SK Zuid-Westers. Ook de procantor van de Folklore Academie van de VUB draagt deze titel. Het meervoud is cantores cantorum.
clubavond: De periodieke avond wanneer de leden van de studentenclub vergaderen. Vroeger volgde deze altijd de regels van de Clubcodex en kwam dus overeen met wat we nu een cantus noemen. Tegenwoordig wordt de clubavond wekelijks georganiseerd (voor de jaren '50 meestal maandelijks) en bestaat hij uit allerhande activiteiten, zoals cantussen, rollingen, bierspelletjes, cafésporten, enz. De avond begint meestal in het clubcafé.
clublint: Lint dat door alle commilitones van een studentenclub gedragen wordt. Het is zo'n 120 cm lang en 27 mm breed en bestaat normaal gezien uit drie kleurbanden, afgebiesd met goud of zilver. Het clublint wordt bij voorkeur samengehouden door een lintknoop. Ontgroende leden van de club dragen het clublint over de rechterschouder, schachtinnen over de linkerschouder. De schachtenmeester draagt gekruiste linten over beide schouders, het lint over de linkerschouder bovenaan. Het clublint wordt door clubleden ook commilitolint, smal lint of eenvoudigweg lintje genoemd. Naar het Duits wordt het soms ook bierlint genoemd.
clubpet(je): Het clubpetje is tegenwoordig het normale hoofddeksel van de Vlaamse clubstudent (toch diegenen van de katholieke traditie). Enkel ontgroendecommilitones mogen een clubpetje dragen. De pas ontgroende commilito ontvangt het clubpetje uit handen van de praeses na de ontgroeningsplechtigheid. Het clubpetje wordt nooit op straat gedragen; aan de clubtafel wordt het nooit afgezet, tenzij men de corona verlaat. Het petje wordt ook niet op de mouw gespeld. Het bestaat uit de drie stroken van de clubkleuren als rand en de hoofdkleur als bodem. Het petje heeft iets van een keppeltje en wordt op het achterhoofd gedragen. Een oud-praeses en een commilto honoris causa hebben het recht een clubpetje met geborduurd eikenloof te dragen. Clubpetjes werden rond 1930 in Vlaanderen ingevoerd door het Seniorenkonvent Leuven. De enige Franstalige vereniging die clubpetjes draagt, is de Ordre académique de Saint-Michel in Brussel. Het clubpetje wordt soms ook bierpetje en in de spreektaal ook potske genoemd.
colloquium: Deel van een clubavond waarin er niet gezongen wordt en iedereen met elkaar kan praten. Tijdens het colloquium mogen de glazen bijgevuld worden. Indien je de tafel wil verlaten, moet je tempus vragen. Het meervoud is colloquia.
commilito extra muros: Als commilito van een streekclub ook wordt opgenomen bij een andere club, wordt hij in zijn tweede club commilito extra muros genoemd. Volgens de Clubcodex heeft hij daar geen stemrecht. Het meervoud is commilitones extra muros.
commilito honoris causa. Studentenclubs en hun overkoepelende organen kunnen iemand die geen lid is van de club commilito honoris causa (letterlijk: erecommilito) omwille van zijn verdiensten voor de studentenclub of het studentenleven in het algemeen. Ook politici en andere notabelen kunnen deze titel verkrijgen omwille van hun politieke of maatschappelijke verdiensten. Het volstaat niet deze functie af te kopen. Het meervoud is commilitones honoris causa.
commilito pro meritis: Studentenclubs kunnen een niet-clubstudent of een lid van een andere studentenclub wegens zijn verdiensten t.o.v. de club ook het clublint schenken. Een zogenaamde commilito pro meritis (letterlijk: commilito wegens verdiensten) wordt onmiddellijk ontgroend, maar heeft verder het statuut van een gewoon commilito. In tegenstelling tot commilito honoris causa is het geen eretitel. Het meervoud is commilitones pro meritis.
convent (vaak konvent gespeld): 1. Vergadering van leden van studentenclubs. Zie ook algemeen convent en seniorenconvent. 2. Koepelorganisaties in Gent: Seniorenkonvent Ghendt, Fakulteitenkonvent Gent,
Kultureel Konvent, Aktiviteitenkonvent, Politiek en Filosofisch Konvent, Homekonvent. 3. Onderdeel
van een studentencorps. Zo bestaat het KSC Brussel tegenwoordig nog uit drie conventen: Bezem Brussel (jongensclub), Sint-Goedeleconvent (meisjesclub) en Oud-KSC (oud-ledenvereniging).
corps (in Gent ook korps gespeld): 1. Studentenvereniging naar Nederlands model aan de Vlaamse Hogeschool te Gent
(1916-1918). De naam Gents Studentenkorps voor de KVHV-koepel in Gent (1997) is hier een
verderzetting van. In Nederland bestaan deze corpsen sinds de tijd van Willem I (1813-1839). 2. Studentenvereniging die uit meerdere conventen (club, cultureel convent, ...)
bestaat, zoals KSC Brussel (1944), NBHC Endivia (1999-2003) en Plutonica (2002). 3. Vechtende studentenclub
naar het model van de Duitse Corps: het Corps Flaminea in Leuven. De eerste Duitse corpora ontstonden in de achttiende eeuw, het Corps Flaminea in 1989. Het meervoud is corpora of corpsen.
facbar: Stamkroeg van een faculteitskring. Deze kan uitgebaat worden door de kring zelf of doorgaan op (een) bepaalde avond(en) in een regulier café. Vaak afgekort tot fac.
faculteitskring: Studentenvereniging voor alle studenten van een bepaalde studierichting, faculteit of departement aan een universiteit of hogeschool. In de meeste steden worden de faculteitskringen van hogescholen studentenclub genoemd. In Antwerpen geldt dit ook voor de universitaire kringen. In Limburg worden ze gewoon studentenvereniging genoemd.
flat: Hoofddeksel gedragen door Vlaamse katholieke studenten tussen 1919 en 1932, nadat de studentenpet verboden werd omdat ze te Duits was. De flat was een afhangende baret (zoals de
Franse studentenmuts) in bordeaux fluweel. De naam is een vernederlandsing van de Waalse schimpnaam
flatte (koeienvlaai) voor hun hoofddeksel. De pet werd in 1932 terug vervangen door de studentenpet. Na de Tweede Wereldoorlog hebben de Gentse studenten een tijd lang de flat terug ingevoerd. Sinds 1987 draagt de Brusselse club Bruxellas terug bordeauxrode flatten.
gast: Buitenstaander, niet-gecorporeerde die uitgenodigd is om een clubactiviteit bij te wonen. Commilitones van andere clubs die uitgenodigd worden, zijn gelijkgesteld met de eigen commilitones en worden dus niet als gasten beschouwd.
gilde: 1. Oude naam voor een studentenclub. 2. In Leuven (sinds 1881-85) en Gent (SK - 1996, GSK - 2003) de overkoepeling van de clubs van één provincie. In Leuven werden deze vroeger om een onderscheid met gilde1 te maken ook gouwgilde genoemd.
mensuur: Duel tussen leden van vechtendestudentenclubs. In Duitsland doen voornamelijk leden van Corpora en Burschenschaften aan de mensuur. Voor katholieke studentenverenigingen is het verboden. In Vlaanderen organiseert enkel het Corps Flaminea mensuren.
monogram: Symbool van een studentenclub, dat bestaat uit de door elkaar gevlochten letters VCF, die staan voor Ut vivat, crescat floreatque... (oorspronkelijk komt dit van de loges en betekende het Vivant fratres coniuncti) en de beginletter(s) van de clubnaam, gevolgd door een uitroepteken. Enkel het KVHV voert het Nederlandstalige monogram LGBVV (Leve, groeie, bloeie Vlaams Verbond). De Duitse benaming is Zirkel.
MSS: Afkorting voor de senior seniorum van het Meisjesseniorenkonvent Leuven, naar analogie
met SS voor de senior seniorum van het Seniorenkonvent Leuven.
plechtig gedeelte: Het laatste gedeelte van de cantus wordt het plechtige gedeelte genoemd. In dit deel worden enkele ingetogen liederen gezongen, op veel plaatsen de clubliederen van de bezoekende clubs en de nationale liederen. Het deel wordt afgesloten met de Oude-Rolderklacht.
praeseslint (volgens de officiële spelling preseslint): Lint dat door de praeses van een studentenclub, een overkoepelend orgaan of (meestal) een faculteitskring gedragen wordt. Het bestaat uit dezelfde drie kleurbanden als het clublint en is 12 cm breed en 210 cm lang (tenzij voor de linten van de gildepraeses, die slecht twee kleurbanden hebben en 10 cm breed zijn). Op het praeseslint kan het wapenschild van de club geborduurd worden. Het schild is dan 10,5 cm op 9 cm en wordt aangebracht op 23 cm afstand van de schoudernaad, in de richting van de banen. Het lint wordt bijeengehouden met een gouden of een zilveren en snoer en heeft aan de uiteinden gouden of zilveren franjes. Het praeseslint wordt altijd boven de vest gedragen, met het schild op de borst. Oud-praesides hebben het recht een praeseslint te dragen met de jaartallen van hun praesesschap. Door clubleden wordt er ook naar gerefereerd als breed lint.
praesidiumlint (volgens de officiële spelling presidiumlint): Lint dat vaak door de praesidiumleden van faculteitskringen en buiten Leuven en Limburg ook van studentenclubs. In Leuven, Limburg, Geel en Antwerpen zien ze er hetzelfde uit als een praeseslint met vermelding van de functie en het jaartal. In Oost- en West-Vlaanderen, Brussel en Mechelen zijn ze smaller (8 cm), korter (180 cm) en hebben geen gouden of zilveren snoer en franjes. Het schild vermeldt dan ook enkel het monogram en niet het volledig schild. Ook oud-praesidiumleden hebben in de meeste steden het recht van zo'n lint te dragen. Door de inflatie van het aantal praesidiumfuncties is er hierdoor ook een wildgroei aan linten. Door clubleden wordt er ook naar gerefereerd als breed lint.
prosenior: Oud-praeses die de voorganger is van de huidige praeses van een studentenclub. Een club heeft dus maar één prosenior! Het meervoud is proseniores, soms vernederlandst tot prosenioren.
schachtenlint: Bij de meeste Duitstalige studentenclubs dragen de schachten geen clublint over de linkerschouder, maar een lint dat slechts twee van de drie clubkleuren bevat over de rechterschouder. Dit noemt men het schachtenlint. De schachtenmeester draagt dan een clublint over de rechterschouder en hierboven een schachtenlint over de linkerschouder. In Vlaanderen wordt deze traditie gevolgt door Duits geïnspireerde verenigingen zoals het Corps Flaminea en KAV Lovania.
scholierenvereniging: Vereniging voor middelbareschoolstudenten die een aantal gebruiken van studentenclubs heeft overgenomen. Ze hadden vaak een doop en organiseerden ook cantussen. De eerste zogenaamde collegebonden werden in de jaren 1870 opgericht door Albrecht Rodenbach. In 1903 werden de meeste verenigd in het Algemeen Katholiek Vlaams Studentenverbond (AKVS). Nadat de KSA in de jaren '30 hun werking overnam, verdween hun binding met het studentenleven. Op dit moment is er één scholierenvereniging actief, het NJSV (opgericht in Brugge in 1978, tegenwoordig met actieve afdelingen in Antwerpen en Brussel). Het KVHV Gent startte in april 2008 met een scholierenverbond,
het Katholiek Vlaams Scholierenverbond (KVSV). Dit nieuwe verbond zou afdelingen opstarten in Gent, Melle, Aalst, Loppem, Oostende en Veurne. In Oostenrijk en Zuid-Tirol zijn deze verenigingen wel nog populair.
senior seniorum: Praeses van een Seniorenkonvent (SK Leuven, MSK Leuven, SK Ghendt, SK West-Vlaanderen, SK Kortrijk, SK Ancienitas, SK Westhoek, SK Zuid-Westers, SK KUB, KVHV Brussel, DHSV). Ook
de nationale voorzitter van de NSV draagt deze titel. Het meervoud is seniores seniorum.
streekclub: Studentenclub voor mensen die uit een bepaalde stad of streek afkomstig zijn. Ze nemen bij uitzondering buitenstaanders op die dan commilitones extra muros genoemd worden. De studentenclubs bij het SK Leuven, de regionale kringen aan de VUB en de oorspronkelijke clubs van het SK Ghendt zijn streekclubs. Ook regionale club genoemd.
streekliederen: Op elke cantus worden een aantal streekliederen gezongen. Het eigen streeklied kan bij streekclubs in het plechtige gedeelte gezongen worden. Bekende streekliederen zijn het Limburgs Volkslied (Limburg), Kempenland (Kempen), Klokke Roeland (Gent), Waasland (Waasland), Oilsjt (Aalst), Hertog Jan (eigenlijk Noord-Brabant, maar kan voor het hele oude hertogdom gezongen worden) en De Schelde (Antwerpen). Bij de Leuvense SK-clubs fungeren de gildeliederen als streekliederen.
studentenknuppel: Tegenwoordig samen met de commandodegen en de cantushamer een mogelijk gezagssymbool voor de praeses en de schachtenmeester. Meestal wordt tegenwoordig een cantushamer gebruikt, alhoewel de knuppel nog afentoe voorkomt bij de schachtenmeester. In vroeger tijden liepen studenten ook met hun knuppel op straat, in Leuven bijvoorbeeld om zich te verdedigen in gevechten met Franstaligen en socialisten.
studentenpet: 1. De studentenpet was vroeger het normale hoofddeksel van de Vlaamse clubstudent. Buiten de clubavonden, waar ouderejaars een clubpetje droegen, werd ze altijd gedragen. Schachten, die nog geen clubpetje hadden, droegen de studentenpet altijd. De pet werd in 1907 ingevoerd in Leuven door Jef vanden Eynden. Tussen 1919 en 1932 werd ze vervangen door de flat. Er bestaan twee types studentenpetten: de soepelere pet (gedragen door o.m. KVHV en NSV) en de stijvere pet naar Duits model, gedragen door onder meer het Corps Flaminea, KAV Lovania, Castrum en Mereta en tussen 1907 en 1914 ook door de Vlaamse studenten te Leuven (gildepet). 2. In Brussel ook een andere naam voor de klak.
tempus commune: Algemene pauze tijdens de clubavond. De regels van de clubcodex zijn
tijdelijk opgeschort. Vroeger was er meestal één tempus commune per avond, nu zijn het
er meestal drie. Het meervoud is tempora communia.
tempus personale: Pauze tijdens de clubavond die voor korte tijd wordt toegestaan aan
één persoon, die dat bij de praeses aangevraagd heeft (de schachten bij de schachtenmeester). Meestal wordt deze pauze gebruikt om naar het toilet te gaan. In een aantal verenigingen
moet men een pisrijmpje bedenken alvorens men toestemming krijgt. Het meervoud
is tempora personalia.
thuisclub: Regionale studentenclub die niet vergadert in de studentenstad, maar in de thuisbasis van de leden. De activiteiten vinden meestal plaats in het weekend en daarom wordt dit type club ook weekendclub genoemd.
Verbondspet: Studentenpet gedragen door KVHV-leden. Ze zijn van een soepel model, uitgevoerd in bordeaux met een zwarte, korte klep, afgeboord met een band met de kleuren van de KVHV-afdeling.
Verbondsraad: Het algemeen convent van een KVHV-afdeling.
Vroeger, toen de afdelingen van Leuven en Gent nog veel groter waren, waren dit niet alle leden,
maar een gekozen vertegenwoordiging.
vertor: Praesidiumlid dat instaat voor de organisatie
van ontspannende en culturele activiteiten. Deze term wordt vooral in Diepenbeek gebruikt. Het meervoud is vertores, soms vernederlandst tot vertoren.
vriendenclub: Studentenclub die is opgericht door een groepje vrienden en vaak geen echte doelgroep heeft. Dit type clubs bloedt meestal dood na de eerste generatie.
wijnlint: Clublint dat in de Duitstalige landen door sommige meisjesstudentenclubs gedragen wordt. Het is smaller dan een gewoon clublint (slechts 12 mm i.p.v. 27 mm). In Vlaanderen droeg enkel het Sint-Goedeleconvent tussen de jaren '70 en 2002 wijnlintjes. Het gewone clublint wordt in de Duitstalige landen een bierlint genoemd. De benaming komt van de Zipfels waarin de verschillende soorten lint gebruikt werden.
Zipfel: Kleinood dat uitgewisseld wordt tussen gecorporeerden als een teken van vriendschap en trouw. Dit Duitse woord wordt in het Nederlands soms vertaald als bierhanger of horlogehanger; het meervoud is ook Zipfel.
De Zipfel worden ingehaakt in een zipfelhouder. Je allereerste Zipfel krijg je van je peter bij je ontgroening. Dit is een Zipfel met een clublint in, die daarom ook Bierzipfel genoemd wordt. Latere Zipfel zijn Weinzipfel omdat ze een wijnlintje bevatten. Verder bevat een Zipfel enige metalen plaatjes waarin de namen van de uitwisselaars en een spreuk zijn gegraveerd.
Vroeger werden Zipfel vastgehangen aan een antiek horloge. Tijdens een clubavond kan de zipfelhouder ook op het bierglas gespeld worden. Zipfel worden uitgewisseld na het zingen van een Ave Confrater.
zwanenzang: Plechtigheid waarmee de laatstejaars onder de commilitones afscheid nemen van het actieve studentenleven. De plechtigheid gaat dat door op de laatste clubavond van het jaar, na de installatie van de nieuwe praeses en maakt deel uit van het plechtige gedeelte. Na een inleidende toespraak van de praeses, krijgen de laatstejaars de mogelijkheid om om beurt te corona toe te spreken, afgewisseld met rustige, studentikoze liederen die ingetogen gezongen worden. Vaak mag de laatstejaars zelf een lied kiezen en krijgt hij een aandenken van de club. Uiteindelijk wordt de Oude-Rolderklacht gezongen en zingen de laatstejaars het Ruiterslied.